Van de
ene sfeer in de andere
Bedrieglijk
danstheaterstuk van choreografenduo Truus Bronkhorst en Marien Jongewaard
Het Financieele Dagblad, 26-06-1999
door
Marcel-Armand van
Nieuwpoort
De dansgroep van het choreografenduo Truus Bronkhorst en Marien Jongewaard presenteerde
in het Holland Festival de nieuwe voorstelling
1.,2.,1,2,3,4,. De titel is afkomstig van een compositie van Gavin Bryars. Het
is hun vijfde productie op rij. Evenals de voorlaatste productie THE FALL is
het een danstheaterstuk voor acht mannen, zij het dat Truus Bronkhorst in de
tweede helft ook zelf optreedt.Zij maakte al in de jaren tachtig furore met
eigenzinnige solovoorstellingen. Met haar partner Marien Jongewaard, afkomstig
uit de groep Nieuw West, heeft zij haar draai gevonden in expressionistische
groepsstukken die dramatische zeggingskracht hebben. Vooral de intensiteit in
de uitvoering is karakteristiek.
Met THE FALL werd een nieuw publiek bereikt en ook een doorbraak op de internationale
markt geforceerd. In deze voorstelling ging het vooral om een uitbundige haast
exhibitionistische expressie, die bijna een overschreeuwing was van de dood,
alsof de mens over de dood kan triomferen. Het thema van de dood kwam ook al
naar voren in de indringende solovoorstellingen LOOD en GOUD, waarmee Truus
Bronkhorst faam verwierf. Ook in 1.,2.,1,2,3,4, is de dood als thema aanwezig.
De kern van de groep is hetzelfde gebleven; krachtige danspersoonlijkheden die
zich soms sterk hebben ontwikkeld. Al vanaf de eerst productie zijn de kostuums
hetzelfde. De mannen dragen zwarte broeken en lopen doorgaans met ontbloot bovenlijf
rond waardoor de zweetdruppels op hun soms rood aanlopende lijven parelt. WONDEFUL
WORLD- met de liefde als ho ofdthema- opende indertijd met een rijdans, waarbij
de acht dansers (waaronder toen nog vier vrouwen) met de handen ineengeslagen
een keten vormden die saamhorigheid uitdrukt. Hetzelfde motief komt in 1.,2.,1,2,3,4,
voor. De directe herhaling van indringende beelden -symbolische iconen haast-
is bij Bronkhorst altijd zo geweest.1.,2.,1,2,3,4, is in zekere zin een samenvatting
van de voorgaande vier voorstellingen. Diverse ingrediënten -thema's en
motieven- komen in een andere gedaante terug. In de derde voorstelling TRUUS
BRONKHORST, MARIEN JONGEWAARD AND FRIENDS werd de onderlinge vriendschap tussen
mannen als thema geïntroduceerd. Soms ging dat over in homosexuele experimenten.
Het zijn meer jongens dan mannen, pubers haast. Centraal staat de pikorde binnen
de groep. In het stoere gedrag komt het afwisselend aan op kameraadschap, branie
en kuddegeest. In THE FALL wordt vervolgens ook de kwetsbare en androgyne kant
van de man getoond. Maar in een lang middendeel op muziek van John Coltrane
doen de dansers juist erg jongensachtig. Al zwaaiend met bierblikjes zijn ze
quasi uitgelaten en macho.
Ook 1.,2.,1,2,3,4, toont uitbundige baldadige jongens; al joelend betreden ze
het toneel om vervolgens galopperend met klapperpistooltjes om zich heen te
schieten. Later springen ze in competitie over stoelen heen. Ze willen niet
voor elkaar onderdoen. Soms gaat het zelfs over in acrobatiek. Toch is 1.,2.,1,2,3,4,
verontrustender dan THE FALL. Steeds duidelijker wordt dat onder het quasi uitgelaten
gedrag iets schuil gaat van woede en agressie. Al in de tweede voorstelling
GOODBYE BODY was geweld het hoofdthema. Er kwamen heuse vechtpartijen in voor
en ook nu dienen de mannen elkaar rake klappen toe. Ook al dansen de mannen
met een tomeloze uitbundigheid, aangevuurd door een grijnzende Truus Bronkhorst,
het lijkt soms wel of hun laatste uur heeft geslagen.Ook is de onderlinge pikorde
af en toe zeer dwingend, zeker wanneer sommigen maskers voordoen en de andere
als slaaf behandelen.
Bronkhorst houdt haar muzikale voorkeuren in ere. De muziek speelt in deze voorstelling
een grote rol. Zij vormt het fundament, niet alleen als spelbepaler maar ook
als ritmische basis. Van de romantische klanken van Mahler tot de tegendraadse
harmonieën van De Bondt tot de cocktailmuziek van Lemfa. Je belandt van
de ene sfeer in de andere. Als er dan ook nog een instructieprogramma voor een
kaartspel doorheen wordt gegooid is de vervreemding compleet.Aan het slot ontstaat
een Fellini-achtige onwerkelijke sfeer met personages die zich op een feest
bevinden, waar ze niet thuishoren.
Het werk van Bronkhorst en Jongewaard is bedrieglijk. Het lijkt soms amusement,
waarbij het er vooral gaat om dansplezier tot uiting te laten komen. Dat dansplezier
staat voor vitaliteit; het leven bezingen als tegenwicht tegen de sombere kant,
de dood, rouwverwerking. Op driekwart van de voorstelling zien we op een deel
van DAS LIED VON DER ERDE van Gustav Mahler (Der Einsame Im Herbst) een klassieke
pas de deux van Jean Louis Barning en Truus Bronkhorst die bespiegelend, introspectief
is. De man wiegt de vrouw. Heel intiem ligt ze op een gegeven moment in de lepeltjeshouding
met de man. Aan het slot van 1.,2.,1,2,3,4, hangt ze evenals in een solovoorstelling
van lang geleden een elektrische gitaar om haar schouders. Lukraak slaat ze
de snaren aan: een overdonderend bombardement galmt door de zaal. En net als
toen klinkt dan een oud akoestisch nummer van de Rolling Stones (in dit geval
MOONLIGHT MILE van Sticky Fingers).
Het gaat in de voorstellingen van Bronkhorst en Jongewaard niet zozeer om de
vorm en het uitvinden van nieuwe bewegingen, maar om de beleving door de spelers
en het spel met bestaande vormen in een andere gedaante. Daardoor wordt het
theatrale effect gesorteerd in de beleving van de toeschouwers, waarbij steeds
geprobeerd wordt het publiek op een onbekende manier te raken. In TRUUS BRONKHORST,
MARIEN JONGEWAARD AND FRIENDS steunden en kreunden de mannen al luid, van vermoeidheid
, pijn en inspanning. IN THE FALL kwam daar het luidkeels aanmoedigen bij. Hiermee
werd de code in de dans doorbroken dat dansers geen geluid maken. Ook beuken
de dansers met hun lichaam hard tegen de houten schutting op het achtertoneel.
Het zijn dergelijke scènes in 1.,2.,1,2,3,4, die de toeschouwer prikkelen
tot een nieuwe houding.
[ terug naar 1, 2, 1,2,3,4, ]