Recensies EXIT

BITTER ‘EXIT’ UIT PARADIJS

NRC Handelsblad, 24-01-2005 door Isabella Lanz

Eruit geschopt worden ze. En nogal hardhandig ook. Ze kunnen zich ternauwernood op de been houden. Marc van Loon en Matthew Kelly Roman tuimelen over het podium. Bijna naakt zijn de dansers. Bij de een is op de blote borst ‘Adam’, bij de ander ‘Eva’ gekalkt. Verdreven is het paar uit het paradijs. Ze belanden in een melkwit niets en weten niet meer hoe ze het hebben.
Het is een van de vele statements die EXIT telt, de choreografie die Truus Bronkhorst en Marien Jongewaard noodgedwongen als laatste maakten. Bij het advies van de Raad voor Cultuur vielen ze af. En dus moet Bronkhorst na vijfentwintig jaar intensief en met succes danstheater te hebben gemaakt, veelal in samenwerking met Jongewaard , stoppen. Zonder studio en dansers begin je niets als choreograaf. Jongewaard is half geamputeerd, zijn acteer en regiewerk zet hij voort.
Dat de toon van EXIT woedend en bitter zou zijn, viel dus te verwachten. Toch heeft hun professionaliteit het grotendeels gewonnen van dat persoonlijke drama – al is dat wel het thema- en maakten ze een onverminderd krachtig stuk: met expressieve beelden, niet mis te verstane symboliek, ironie, en met zorgvuldig geselecteerde muziek ( Pink Floyd, Gyorgi Ligeti, Jacob ter Veldhuis , Mauricio Kagel) en een decor dat verwijst naar kleedkamer en studio.

Anders dan gebruikelijk is dat tekst –zelfgeschreven monologen die Jongewaard uitspreekt – een dominante rol speelt. Jongewaard spuwt zijn gal op de aangezette zangerige toon die hem eigen is: Hoer, Graham-contraction-Kamasutrahoer, Jij moet dood Hoer. De ex-diva van de moderne dans zit in een kartonnen doos: haar toekomstige daklozen theater.

Nu is dat wel geestig. Vaker zijn de korte bondige oneliners navrant, beladen, en vol autobiografische verwijzingen. “Ze danst op een mestkar de Toekomst in”. De zwaarte van het thema krijgt vaak tegenwicht in lucide dansdelen, waaronder een vrouwentrio en een idyllisch speels mannenduet. Inderdaad, zoals de tekst klinkt: “Ze laat contradicties rijmen”.

Als alterego van de choreografe hangt een danseres als een slappe vaatdoek aan de barre. Ze doet plié’s, barst soms los in verwoed dansen. Ze toont onmacht, woede, wanhoop, daarmee flarden uit de voorstelling. Deze tergend lange solo weerspiegelt ondubbelzinnig het moeizame proces van deze zwanenzang en pepert het publiek in hoe de maakster zich voelde.

Memorabel is vooral het optreden van Bronkhorst zelf. Gezeten voor de kleedtafel, met video via de spiegel gefilmd, smeert ze haar gezicht in met een witte schmink en citeert dramatische zinnen van Martha Graham, icoon van de expressionistische dans: “Dance is a great desire/ You give all your life doing this one thing” Waarna ze een smartelijk gezicht trekt en met een pistoolschot haar spiegelbeeld aan flarden schiet: een bittermooi EXIT.

 

TRAGISCH SLOT VOOR CHOREOGRAFE
Het Financieele Dagblad, 22-01-2005 door Rolph van de Wouw

“Ze is postuum. Ze zal pijn hebben. Ze had te lang naar haar eigen wortels geloerd. Ze hebben haar een brief gestuurd.”

De wanden van het armetierig kartonnen huisje zijn beklad met schreeuwende letters, dit is een theater. Kruipend gaat Ze naar binnen, hier hoort Ze thuis. De man buiten beschimpt haar: “Hoer, Grand Theatre-hoer, jij moet dood, hoer, hoor je, hoer…”
Ze, Truus Bronkhorst, die haar hele leven in dienst stelde van de danskunst, heeft haar langste tijd gehad. Als het aan de Raad voor Cultuur ligt althans. Die adviseerde de choreografe niet langer financieel te ondersteunen. Per 1 januari is de Rijkssubsidie voor Bronkhorsts Stichting van de Toekomst gereduceerd van een half miljoen naar nul euro. In de Cultuurnota 2005 –2008 werd gesteld dat Bronkhorst in herhaling viel en dat haar werk zich onvoldoende ontwikkelde. Uiteraard heeft ‘voorstelligsbezoek plaatsgehad’

Je vraagt je af welke voorstellingen de adviseurs bezocht hebben. Als er één iemand is geweest die het publiek de afgelopen jaren wakker heeft weten te houden, dan is het Truus Bronkhorst. Al meer dan vijfentwintig jaar speelt ze met conventies en maakt ze dans die werkelijk raakt. Bij haar geen gelikte pasjes, brave duetten of gezellige ensemblestukken. Wel rauwe, meedogenloze scènes waarin geveinsde tederheid en fysiek geweld hand in hand gaan. Bronkhorst is anders, ze is strijdlustig en maarschappijkritisch. Zonder opgeheven vinger, maar met ironie en drama. Bronkhorst geeft het danslandschap kleur, maar blijkbaar heeft grijs de voorkeur.

Zoals het er naar uitziet is EXIT dan ook Bronkhorsts laatste productie. De titel spreekt boekdelen: het gaat over een afgedankte, verbitterde theatermaakster die het vechten moe is. Dit keer geen bazooka’s of bokshandschoenen – rekwisieten die in vorige stukken symbool stonden voor enorme vechtlust – maar een klein pistool. De gelatenheid is van Bronkhorsts gezicht af te lezen. Lijkbleek zit ze voor een muur van spiegels, waar ze met lippenstift ‘self portrait’op kalkt. In de woorden van dansinnovator Martha Graham uit ze haar emoties: ‘You give all your life doing this one thing’. Vanavond draagt ze haar haar als dat van Iocaste, de afloop laat zich raden.

Na de rituele zelfdoding maakt de choreografe plaats voor vijf performers. Die nemen ruim de tijd om zich om te kleden. Het is een humoristische kijk ‘achter de schermen’. Het oeverloze gedraal lijkt te suggereren dat deze mensen niet meer zullen dansen. Toch veranderen de lome lichamen langzaam in virtuoos bewegende objecten. De drie dames nemen het voortouw. Hun gezucht en heupwiegende catwalk-tred zien er bespottelijk uit, maar ook schrijnend. De mannelijke paardans die volgt, is op het randje, maar typisch Bronkhorst. Dit homo-erotische duet waarin Adam en Eva het paradijs uitgeslingerd worden, verwijst opnieuw naar de gevoelens van frustratie en onmacht die bij de choreografe leven. Het slotstuk voor één danseres en haar schaduw is, zij het wat uitgesponnen, een lust voor het oog. Hier wordt aangetoond dat Bronkhorsts choreografisch talent zeker niet is uitgeput.

EXIT is niet alleen een gedanst protest, maar tevens een echte en indrukwekkende dansproductie. Een leven zonder dans is voor Truus Bronkhorst ondenkbaar. Dans zonder Bronkhorst is minstens even onwaarschijnlijk….

‘Ze zal nog alleen te zien zijn in hermetische dans, Ze heeft een glimlach om de bevroren lippen.

UITGANG? AFGANG?
De Groene Amsterdammer, 18-02-2005 door Loek Zonneveld

Soms lukt het me voorafgaande aan een voorstelling he-le-maal van niets te weten. Toen ik aanschoof voor EXIT wist ik van niks. Ik kan het u aanraden. In het witte decor dat eruitziet als een kleedkamer annex balletstudio wandelt Marien Jongewaard op in een stemmig zwart kostuum. Hij begint een monoloog, wat heet: een scheldkanonnade. Mikpunt: een hoer. Meer in het bijzonder: een danshoer. Het subject van dit gescheld zit ondertussen in een kartonnen doos waar “teatro” op is gekalkt. Truus Bronkhorst – zij is het – kruipt na de monoloog uit de doos, begeeft zich naar een kleedkamerspiegel, schminkt zich wit, spreekt teksten die gaan over de oneindige passie van de theatermaker, en wordt ondertussen door een van de dansers gefilmd – het beeld wordt in de witte ruimte groot geprojecteerd. Als de artistieke leiding is uitgesproken, beginnen de kleedkamerrituelen van de vijf dansers. De warming-up van dansers is een van de meest fascinerende rituelen die ik in het theater ken. Er gebeurt schijnbaar nog helemaal niks. Maar de lijven van de dansers transformeren geleidelijk tot wat de Russische theatermaker Meyerhold ooit “atleten van het hart en de ziel” noemde. Dans stelt dans voor (de wet van choreograaf Hans van Manen), in de aanloop naar de dans stelt lijf vooral lijf voor, een bundel spieren die zich warm draait voor de ultieme schoonheid. Dansende spieren in een lichaam dat nog niet danst.

De vrouwen beginnen. Hun lijven hebben ze wit geschminkt, ze zijn uitgedost met lelijke broekjes en strakke borstweringen, ze dansen alles wat ze aan beweging in huis hebben, ze dansen zich weg voor de poorten van de hel, ze vallen, schreeuwen, hoofd omhoog, armen gespreid, bekken naar achter, benen in brutale spagaten, uitdagend gespreid – ze durven zo meedogenloos lelijk te zijn dat ik echt niet meer weet waar ik kijken moet. Als tomeloze furiën dansen ze de poorten van de hel, nee, van het paradijs (is er een verschil?) open. De dansvloer is nu voor de verdrevenen, twee jongens die “Adam ” en ” Eva ” op hun borst hebben gekrast – teksten die in de wildheid van hun duet verwateren in het zweet van hun verpletterende dans. Ze zijn hun microkosmos kwijt, tuimelen in een wereld die ze niet kennen. Ik heb zelden zo’n mooi mannenduet gezien – liefdevol, wanhopig.

Daarna is het nog niet gedaan. Een danseres schudt zich los van de barre. Op een geluidsdecor van een jazzy zingzegger die maar door blijft ouwehoeren en zingzeggen, toont die ene danseres nog eens alle pijn waarmee deze voorstelling tot stand kwam (komt ?). Ik hoor (was het daar?) weer de stem van Marien Jongewaard . Hij scheldt niet meer. Hij constateert. “Ze heeft een strenge arm……Ze maakt van iedere beweging een ideologisch dispuut……Ze hebben haar een brief gestuurd…….Ze bedanken haar niet voor de moeite.”

Thuis lees ik dat Truus Bronkhorst en Marien Jongewaard vanaf ongeveer heden geen meerjarige subsidie meer krijgen. Ik raadpleeg mijn woordenboek. Exitus: weggaan, uitgang, afloop, afgang, levenseinde. Het zal toch niet waar zijn! Lievelingsuitspraak van een van mijn ex-studenten: “Ik heb zin in een Bronkhorst&Jongewaard”. Dit is geen exit, dit is een veelbelovend nieuw begin (sprak de onverbeterlijke cultuuroptimist ).

 

 

ALS ADAM EN EVA voelen Truus Bronkhorst en Marien Jongewaard zich verstoten uit het paradijs. Een dansduo stopt.

 

Trouw, 20-01-2005

interview door Sander Hiskemuller

Masaccio’s fresco “Adam en Eva verdreven uit het paradijs” prijkt op de website, op het programmaboekje is het woord EXIT in oververhitte celluloidletters op een afbeelding van een theaterzaal gebrand. Als Adam en Eva van de moderne dans is het ‘EXIT’ voor choreografenduo Truus Bronkhorst en Marien Jongewaard. Niet uit het Hemels Paradijs, wel uit het Kunstenplan.

 

Verbazingwekkend hoe snel een klein dansimperium kan afbrokkelen. De studioruimte moet leeg, het koffiezetapparaat is al bijna ingepakt. Maar eerst werkt het duo nog hard aan hun artistieke zwanenzang over weggaan en afscheid nemen, ‘Exit’.

Staatssecretaris Van der Laan volgt het negatieve advies van de Commissie Dans. Dat houdt in dat de choreografen Bronkhorst en Jongewaard, beiden 53 jaar per 1 januari van dit jaar geen overheidssteun meer ontvangen. Na 28 jaar spraakmakende dansprodukties, een Gouden Dansprijs, de Sonia Gaskell-prijs en het winnen van het prestigieuze choreografieconcours Bagnolet. zouden de sterk theatrale en beeldende choreografieën volgens de commissie ‘een sjabloon’ zijn geworden. Jongewaard:”Dat getuigt van grote domheid. Als je geen oog hebt voor de ontwikkeling van een kunstenaar die voor de verandering eens niet meegaat met de waan van de dag, heb je geen oog voor kunst”.

 

Voor ‘EXIT’ baseren Bronkhorst en Jongewaard zich op het bijbelse gegeven van Adam en Eva die uit het paradijs worden verdreven. Bronkhorst: “We vragen ons af wat er daarna met hen gebeurt. Adam en Eva hebben elkaar waarschijnlijk nog nooit zo liefgehad als het moment dat ze door de engel werden verjaagd. Dat laten we uitmonden in een teder liefdesduet. Ook als mensen niets van onze situatie afweten blijft het een mooi duet”. Jongewaard:”EXIT is een commentaar op onze situatie, maar we maken er een metafoor van waar het publiek zijn eigen gevoelens op los kan laten”.

 

Bronkhorst: “Er klinkt hoop uit EXIT . Natuurlijk voel ik mij vreselijk, maar ik wil niet verbitterd raken. Alhoewel ik na de laatste voorstelling wel even zal huilen. Ergens zijn we blij bij de groepen te horen die uit het bestel zijn geknikkerd. Het voelt alsof we aan de goede kant staan”.” Piet Rogie, Hans Tuerlings, Ko van den Bosch, Ton Kas, Willem de Wolf: ze hebben voor kabaal gezorgd en moeten allemaal het veld ruimen”.

 

Jongewaard: “We zijn nooit aaibare mensen geweest. Dat komt ons nu duur te staan. We zijn de luizen in de pels van de dans die steeds burgerlijker en conformistischer wordt; een speelbal voor beleidsmakers die zich laten leiden door bezoekersaantallen en zoiets vaags als internationalisering. Daar moet een kunstenaar zich helemaal niet mee bezighouden. Op een congres vroeg een jonge choreograaf aan het panel hoe hij zijn stukken uit efficiënt oogpunt langer op zijn repertoire zou kunnen houden. Toen dacht ik : ga maken! Zoveel mogelijk! Tot je er bij neer valt! Wij hebben altijd de tamtam gezocht, opwinding en opschudding willen veroorzaken, de oerbron die theater in onze ogen is.”

 

De tamtam van Truus Bronkhorst begon begin jaren tachtig. Beïnvloed door Koert Stuyf, de vader van de performancekunst in Nederland, volgde ze haar eigen spoor met performances waarin ze op zoek ging naar een eigen expressieve verbeelding van emoties en gedachten. In haar legendarisch geworden solo’s in het Amsterdamse Shaffytheater als ‘LOOD’ ( 1988 ) , GOUD(1989 ), en ZWARTE BlOESEM ( 1990 ), scheerde Bronkhorst in thema’s als liefde, eenzaamheid en dood, langs pathos en ironie, ontroering en hilariteit. Ze trad hierin op als geisha, hoer, nar of regentes: sterke en onafhankelijke vrouwen waarin ze een scherp protest liet doorklinken tegen de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen, arm en rijk, wit en zwart.

 

In de groepstukken die ze daarna maakte, nu met Marien Jongewaard, werd het protest pregnanter. Commentaar op het machismo en geweld in een mannenwereld kwam tot uiting in “THE FALL”(1997 ), en “`1,2,`,1,2,3,”(1999),. De fysieke confrontatie tussen de mannelijke dansers werd fraai afgezet tegen hun kwetsbare en tedere kanten, niet gespeend van een flinke dosis homo-erotiek. Jongewaard: “Voor onze zwarte, homoseksuele en vrouwelijke dansers hebben we altijd iets gemaakt wat emanciperend is.”

Als Bronkhorst en Jongewaard er definitief mee ophouden, verstomt dan ook het protest in de dans? En is die überhaupt in deze tijd nog wel nodig? Jongewaard: “Ga naar welke dansbijeenkomst dan ook: de uitreiking van de VSCD-prijzen, de festivals. Dan zie je al die mannen, al die schouwburgdirecteuren, die heel gezapige kunstmaffia, De jonge generatie dansmakers conformeren zich daaraan. Iedereen denkt: als ik dat niet doe, dan neem ik risico. ” Bronkhorst: “Je ziet pogingen om de dans een maarschappelijke inhoud te geven, maar als je het ergens over wilt hebben moet je er ook wel echt wakker van liggen. Dat zie ik niet in de voorstellingen terug”. Jongewaard: “Wij komen uit een generatie van struggle. De nieuwe dansmakers moeten op zoek naar hun eigen ‘trappende beweging’. Dan trap je er misschien wel eens naast , maar je trapt!