Een artikel uit het boek: Hedendaagse dans in Nederland en Vlaanderen
van Isabella Lanz en Katie Verstockt .
Uitgegeven door de Vlaams-Nederlandse Stichting Ons Erfdeel.2003.


TRUUS BRONKHORST

Truus Bronkhorst noemde zichzelf ooit 'danseres van oorsprong en passie'. Dat was niets teveel gezegd, want ze is de dans volledig toegewijd en werkt altijd vanuit haar gevoel. Al twintig jaar beschrijft ze met grote gebaren en serene danspassen gevoelens en gedachten. Op eigentijdse manier continueert ze de traditie van de grote moderne dansexpressionisten. Ze startte daarmee nota bene in een tijd dat expressionisme in de dans taboe was, gedurende de hoogtijdagen van de postmoderne dans.Ze demonstreerde tegelijk dat rebellie en eigenheid haar niet vreemd waren. Dat beeld van een non-conformist in de dans past haar onverminderd.

Bronkhorst kwam al vroeg in contact met een vorm van moderne dans die haar aansprak. Van Koert Stuyf leerde ze de essentie in beweging te zoeken, van Edinoff de magie van het optreden.Bij 'Dansproduktie' leerde ze vervolgens het metier van dansen en choreograferen.Begin jaren tachtig opereerde ze in krakerkunstkringen en het undergrounduitgaansleven dat Joost Zwagerman beschreef in zijn roman GIMMICK.Haar dwarse performances verruilde ze voor optredens in het SHAFFY THEATER.Regisseur Rob Malash zette haar op het spoor van solovoorstellingen.Ze creëerde een markante reeks: na TRUUS BRONKHORST IN CONCERT, TRUUS BRONKHORST DANST BRONKHORST TRUUS werd LOOD haar doorbraak, gevolgd door GOUD en BLOED. Daarin verscheen ze als mysterieuze mystica en oosterse geisha, koningin en heroïnehoer, ridder en nar. Ze maakte gebruik van eenvoudige rekwisieten die een vast bestanddeel werden van haar beeldtaal: een zwarte ballon als teken van de zwaarte van het bestaan, maar die wel de zwaartekracht ontstijgt, een geweer als macho-instrument, pauwenveren als vrouwelijke verleidingskunst,een spiegel als balletaccessoire en symbool voor introspectie. Met die symbolen waren er de kleuren zwart, rood en wit en de poses van Christus aan het kruis, de kruisafname en piëta.

De solo's gingen over liefde, lijden, onvervulde verlangens, eenzaamheid en dood. En hoewel nadrukkelijk gemaakt vanuit haar eigen vrouwenperspectief wist ze die op universeel niveau te tillen. Met bloedserieuze levensvragen scheerde ze rakelings langs het pathetische, maar ze wist dat te beteugelen met ironie: naast diepe ontroering gaf ze ruimte aan hilariteit. Het melodramatische grote gebaar en provocatie werden haar handelsmerk.

Haar kracht lag aanvankelijk in haar eigen optreden. Door de intensiteit ervan sleepte ze de zaal mee. Evenzeer verleenden de sobere klassieke dansbewegingen -herhalend en helder in de ruimte gezet- haar werk een aureool van pure schoonheid. Een strakke timing met digitaal heldere overgangen kwam daar nog bij. Haar choreografische talent deed duidelijker van zich spreken toen ze groepswerken ging maken, waarbij Marien Jongewaard in toenemende mate betrokken raakte. Diens invloed was al evident in ZWARTE BLOESEM waarin de dan veertigjarige danseres zich omringde met drie zwarte jongemannen. Met dit trio ging ze tegen het decor van zwarte stars and stripes een gewaagd spel aan van blank versus zwart, oud versus jong, vrouw versus man.Subtiel was de seksuele ondertoon, expliciet het politieke commentaar met gebral van Mussolini en Archie Shepps jazzpamflet MAMA ROSE. Dat protest tegen de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen, rijk en arm, blank en zwart en tegen de oppervlakkigheid en de superioriteit van de westerse maatschappij ging een nog belangrijkere rol spelen in de groepsstukken die ze daarna maakte, nu met Jongewaard als medebedenker en dramaturg. WONDERFUL WORLD, GOODBYE BODY en TRUUS BRONKHORST, MARIEN JONGEWAARD… AND FRIENDS waren cynisch van toon en rauw van vorm.Ze waren confronterend door de nadruk op het onderlinge fysieke mannengeweld, zoals bijvoorbeeld tot uitdrukking gebracht in een duet van slaan en terugslaan door Jean-Louis Barning en Jakob Nissen. Achteraf bezien vormde dit drieluik met het mannenstuk 1,2,1234 de overgang naar THE FALL, SOUL en MONGOOLSE DANSEN.

In deze laatste groepsstukken hervonden BRONKHORST en JONGEWAARD het evenwicht tussen schoonheid en drama. Uitvergroot werd het mannengedrag met alle bravoure, kwetsbaarheid, ijdelheid en tederheid, waarin een vleugje homo-erotiek meespeelde. Evengoed weerspiegelden de stukken hun woede over de brandhaarden in de wereld. Opvallend groot was het aandeel van de pure dans daarin.De lange delen ontleenden hun kracht aan de herhaling van zeer nauwgezette bewegingspatronen en formaties die de klassieke helderheid van een Hans van Manen droegen.
Eenvoud qua vormgeving bleef een wezenskenmerk van al het werk, evenals de op thema gekozen muziek. Bij dat laatste etaleerde ze van meet af aan de smaak van een eclecticus in de ware zin van het woord: met muziek van chansonnier Jacques Brel en soulkoningin Nina Simone, van de middeleeuwse Hildegard von Bingen en de experimentele Olga Gubaidolina, van de avant-gardepopmuzikant Jimi Hendrix en diens postmoderne opvolger Prince, met Arvo Part en Erik Satie en zelfs met Mozarts gehele REQUIEM plaatst ze de juiste snaar bij haar danskunst.

Zelf danst Truus Bronkhorst niet meer, wel wist ze haar expressieve en toch geserreerde taal over te brengen op verrassend genoeg juist mannen, behalve de masculiene Barning en Nissen ook de feminiene Marc van Loon. Drie zwarte dansers, de forse Ian Butler, de tengere Percy Kruythoff en de gespierde Jacques Laurent Madiba gaven kort geleden die expressiviteit een donkere lading.


[ terug ]