Het logo als brandmerk

Vrij Nederland, 05-01-2002
door Marijn van der Jagt

De dansvoorstellingen van Truus Bronkhorst en Marien Jongewaard zijn nauw verbonden met de actualiteit: in hun nieuwe MONGOOLSE DANSEN wordt verwezen naar Globalisering en Islam. Maar daarbij putten ze uit het juist zeer persoonlijke woordenboek van emotionele dansbeelden dat Truus Bronkhorst in eerdere choreografieën heeft vastgelegd.

Het is geen willekeurig stel strepen. De witte lijnen op de benen van danser Jacques Laurent Madiba zijn onmiddellijk te herkennen. De hoeveelheid, de kleur, de afstand tussen de strepen -deze vorm zit in onze breinen gestanst: het logo van Adidas. Al twintig jaar prominent aanwezig in de mondiale beeldcultuur, via sportreclame en dankzij de onveranderlijke kledingvoorkeur van de hiphoppers op MTV.

Maar de dansers in MONGOOLSE DANSEN, de nieuwe voorstelling van Truus Bronkhorst en Marien Jongewaard, lopen er niet bij als hiphoppers. Het Adidas-logo siert maar een van de negen dansers. Het staat bovendien niet op zijn kleding: het logo IS de kleding van Jacques Laurent Madiba.
De kleine danser uit Kameroen heeft zich uitgekleed tot op zijn 'dancebelt', een soort tangaslip die zijn heupen en billen vrijlaat.De witte Adidas-strepen staan op zijn blote benen. Spierwitte strepen op een diepdonkere huid.

Zo'n beeld, daarvoor ga je naar een voorstelling van het duo Bronkhorst-Jongewaard. Omdat je weet dat de beelden in hun dansproducties altijd meer zijn dan visuele grapjes, meer dan stijl of aankleding. Het is geen toeval dat de drager van het Adidas-logo de danser is met de donkerste afkomst. Er doen aan MONGOOLSE DANSEN meer zwarte dansers mee: Ian Butler en Percy Kruythof, die allebei al producties lang met Bronkhorst en Jongewaard werken. Madiba komt als enige rechtstreeks uit Afrika, en zijn adembenemende entree in de voorstelling getuigd daarvan. Hij verschijnt alleen, als de andere dansers even weg zijn. Naakter en kleiner dan de rest van de groep en bewegend met een sprankelende snelheid en een verwonderde blik.

In zijn solo wordt de geserreerde bewegingsstijl van Bronkhorst en Jongewaard vermengt met Afrikaanse dans. Het ene moment duwt de danser in vertraagde wanhoop zijn gebalde vuist tegen zijn mond, een gebaar dat we kennen uit het vroegere werk van Truus Bronkhorst, en dat drijft op het drama in de muziek van Mozart's REQUIEM. Het volgende moment laat Madiba dezelfde muziek swingen, door in dubbel tempo zijn hoofd met rollende ogen opzij te knikken, of bosjesmanachtig in het rond te stampen met zijn bovenlijf extatisch ten hemel geheven. Deze solo vertelt meer dan de zoveelste verkenning van niet-westerse bewegingen, en dat komt door het Adidas-logo.Dat beeldmerk onderstreept de triomfantelijkheid waarmee Madiba de Nederlandse danswereld binnenstapt;

Zijn fysieke toonkracht is een overwinning op de beperkingen van de gewone mens. Hij is opgenomen in het internationale circuit van sporters en dansers waarin asielaanvragen niet bestaan. Maar na 11 september zijn die strepen op de benen van de dansers ook anders te lezen. Huiddiep is de imprint van het westerse kapitalisme in het lichaam van de Afrikaan. Het brandmerk is in dit geval aangebracht door de twee choreografen, de werkgevers van de danser, die zijn lot voorlopig in handen hebben.
Het is niet de eerste keer dat Truus Bronkhorst en Marien Jongewaard zo'n reclamelogo in hun werk gebruiken. In Jongewaards solo A HARD DAY"S NIGHT (1992) stond op de muur boven het toneel het beeldmerk van Mercedes te stralen. Door de woeste nachtbraker die JONGEWAARD speelde werd dit logo aanbeden als de zon van de grote stad waar hij doorheen dwaalde.In de danssolo die Truus Bronkhorst in 1986 maakte met de ironische titel DUTCH (EXPORT QUALITY) stonden de merknamen Unilever en Shell op het decor gekrast. Een vileine knipoog naar de grote balletgezelschappen en theaters. Die zich in die tijd steeds openlijker lieten sponsoren.
Toen Bronkhorst en Jongewaard deze voorstelling creëerden werkten ze nog niet officieel samen. Na haar deelname aan de (vrouwen)groep Stichting Dansproductie en Vals Bloed maakte Bronkhorst eind jaren tachtig, begin negentig naam met een serie kraakheldere dansstukken. In veel van die stukken stond ze alleen op het podium, soms was er een sterk contrasterende tegenspeler: Bronkhorsts bejaarde dansdocent Man Dooijes(BRANCO) of drie donkere jongens (ZWARTE BLOESEM). Vooral de eenvoud in vorm maakte indruk: op een leeg toneel deed TRUUS een dansje op een muziekstuk,waarbij een enkel kledingstuk of rekwisiet de betekenis van de bewegingen versterkte. Haar versie van het ZWANENMEER vermengde zich met het sprookje van het lelijke eendje: met alleen een rokje van dons aan trok Bronkhorst een rij houten zwaantjes achter zich aan en zette geduldig het kleinste, scheefrijdende zwaantje telkens terug in de rij.

Marien Jongewaard maakte vanaf 1982 theater met het woeste mannendrietal Nieuw-West. Dik Boutkan, Rob de Graaf en Marien Jongewaard gaven de ingekeerde en vormbewuste 'moderne'mime een baldadige tegenkleur. Met hun schijnbare chaos ,tekstueel gejeremieer, melige struikeldansen en directe publieksbenadering was het drietal jarenlang de schrik van de kleine theaters,Maar ook de hoop van een nieuw publiek. Bij Nieuw-West gebeurde er tenminste wat. Het kon zijn dat je opgesloten werd op de tribune of dat je een dronkemansscheldpartij over je heen kreeg. Maar je kon ook diep geraakt worden door het schrijnende beeld van de kaalgeschoren nachtbraker uit A HARD DAY"S NIGHT met een leeg kinderfietsstoeltje op zijn rug, de vertaling van zijn verlangen naar een kindje. En het was wel op het krakkemikkige toneeltje van Nieuw-West dat de grote gebeurtenissen in de wereld een echo vonden. Het brandende meisje van My Lai, zwevende astronauten, oorlogsjoden op transport, Poolse vluchtelingen- de beelden van krantenfoto's werden schaamteloos simpel nagespeeld en van tekst voorzien. Dat beeldbewustzijn van Jongewaard en Bronkhorst herken je bij MONGOOLSE DANSEN in de Adidas-strepen, maar ook in de dans die vier vrouwen uitvoeren met hoofddoekjes om. Want natuurlijk zijn Truus Bronkhorst en Marien Jongewaard weer de eersten die een theatrale vertaling vinden voor het zogenaamde islamitische gevaar. Een hoofddoek voor de vrouwen, zo eenvoudig is de ingreep. Maar het geeft al hun bewegingen, en zeker de ruwe duetten waaraan de mannen hen even later onderwerpen, een ongekende lading.

In 1993 danste Bronkhorst mee in LES ENFANTS DU PARADIS, de melancholieke, spierwitte productie die Jongewaard bij Nieuw-West maakte. In datzelfde jaar kwam Jongewaard in KLEIN VOLKSLIED, de laatste solo die Bronkhorst (voorlopig?) zou maken, een vertederend liefdesduet dansen met zijn echtgenote. Een jaar later kwam WONDERFUL WORLD uit, het eerste groepsstuk dat zij samen ondertekenden. In de zeven groepschoreografieën die het duo sindsdien heeft gemaakt, heeft Bronkhorst nog regelmatig meegedanst.

Wie alle dansstukken van Bronkhorst en Jongewaard heeft gezien, kan hun bewegingsstijl bijna uiteenrafelen in een soort woordenboek van dansbeelden. Het zijn fysieke vertalingen van emoties als rouw, angst en woede, liefde, wanhoop, tederheid en overgave, die van voorstelling op voorstelling worden doorgegeven.
Zo'n kort optreden van Bronkhorst herself kan dan ook werken als de inlossing van een belofte. Als de choreografe komt dansen, zie je pas goed hoe sommige bewegingen bedoeld zijn. Ze zijn haar op het lijf geschreven. Je herkent het lichaam van Truus in de gebalde vuisten van de dansers en de wilskrachtige kop in de wind, maar ook in hun verlegen ingedraaide voeten of hun droef afhangende schouders.

Zo fysiek is Marien Jongewaard niet aanwezig in de dansstukken. Hij is het meest karakteristiek in zijn taalgebruik, de pathetiek die hij in zijn stem weet te leggen en waarmee hij Jongewaard-fans en -haters heeft gekweekt. In de theaterstukken die hij nog altijd maakt met Nieuw-West, weet hij die speelstijl wel steeds beter over te dragen. In het geweldige stuk NEANDERDAL dat Rob de Graaf dit seizoen samen met Marien Jongewaard schreef, staan vier spelers met een Marien Jongewaardachtige baldadigheid te schreeuwen en te slempen, te beuken en te schmieren.

Even denk je aan het begin van MONGOOLSE DANSEN dat de dansers het woord gaan nemen. In een spotlicht staat er een microfoon klaar, waar de dansers elkaar lacherig naar toe duwen. Dat resulteert in een bijna-spreeksolo van Ian Butler, die de microfoon omsingelt en benadert, om dan hoofdschuddend weg te swingen. Man of Words (Little) heet het muziekstuk van Booker Little waar Butler op danst. People of Words (No) zou de ondertitel kunnen zijn van MONGOOLSE DANSEN. Hier spreekt men de taal van het lichaam. Een taal van beelden, die zwaarte krijgen door het emotionele spel van de dansers. Dat spel maakt de dansstukken van Bronkhorst en Jongewaard krachtig en overtuigend. Omdat de dansers erin slagen om iedere beweging waar te maken komt er geen slijtage in de beelden en dansfragmenten.Integendeel: als de bewegingen die het choreografenduo bedenkt maar goed genoeg worden doorleefd, wint hun taal aan kracht.De herhaling schept betekenis en uiteindelijk ook emotie, dat werkt zelfs bij het logo van een kledingmerk.

Oergraffiti, noemde dansrecensent Eva van Schaijk de taal van Bronkhorst en Jongewaard naar aanleiding van hun laatste productie. Een goedgevonden omschrijving van de manier waarop het paar hun gedeelde obsessies door danserlichamen in de ruimte laten klieven. Hier worden iconen uit de mondiale beeldcultuur niet allen geciteerd, maar ook letterlijk ingelijfd. En het bijzondere is, dat je ter plekke nieuwe iconen ziet ontstaan. De kwetsbare, nieuwsgierige golfbeweging bijvoorbeeld, waarmee de diep gebogen hoofddoekmeisjes de rug rechten en het hoofd opheffen. Die golfbeweging is door geen multinational bedacht en bij de reproductie ervan is geen massamedium nodig. De beweging wordt doorgegeven van de ene mens op de andere. Het mooiste moment uit de dans waarmee Marc van Loon MONGOOLSE DANSEN afsluit, is zijn voorzichtige herhaling van de golfbeweging. Een herinnering aan de kracht en het lijden van de gehoofddoekte meisjes. En een citaat waar hoop uit spreekt, omdat het bewijst dat er naar die meisjes is gekeken. Hoe bedeesd en ingekeerd ze ook waren, de beweging die in hun lichamen opgolfde, resoneert in de lichamen van anderen. Het is gezien en het is doorgeven.


[ terug naar Mongoolse Dansen ]