Een van de grootste klappers
van dit theaterjaar is ongetwijfeld de voorstelling THE FALL van danseres/choreografe
Truus Bronkhorst en toneelspeler/regisseur Marien Jongewaard. THE FALL is van
grote allure, met een zeldzaam theatrale en spirituele kracht. Deze evenaart
die van een ander theaterhoogtepunt van dit seizoen, namelijk de geniaal geregisseerde
opera van Poulenc, LES DIALOGUES DES CARMéLITES, die ook in de winter
van 1997 in première ging.
Voor avondvullende dansproducties zijn de artistieke vennoten Bronkhorst en
Jongewaard een zegen. Dramaturgie is voor toneel tegenwoordig vanzelfsprekend
maar voor dans helaas nog steeds niet. In veel recente avondvullende dansvoorstellingen
is het gemis aan dramaturgische begeleiding pijnlijk voelbaar, met name in de
avondvullende balletten van Ed Wubbe (hoewel het grote publiek daarmee geen
moeite heeft). Dat een dansdramaturg naast een choreograaf zegenrijk werk kan
doen, toont Robert Steyn de laatste jaren in de door hem begeleide voorstellingen
van solodanseres Désirée Delaunay, terwijl Pina Bausch zich in
Wuppertal al een kwart eeuw met veel profijt dramaturgisch laat ondersteunen.
Dank zij Jongewaard duren de scènes in THE FALL geen tel te lang en passeren
ze allemaal in een artistiek juiste volgorde, met een uitgekiende dosering van
kalmte en agitatie zonder dat de spanningsboog ooit verflauwt.
THE FALL kan nu al gelden als een van de belangrijkste dansdocumenten van de
jaren negentig. Dat is te danken aan Truus Bronkhorst, al is het bewegingsmateriaal
in nauwe samenwerking met Jongewaard gecreëerd. Voor de pure dansthema's
geldt een opmerking uit het juryrapport van de tien jaar geleden aan Bronkhorst
toegekende choreografieprijs 'de Sonia Gaskellprijs":
Er is maar één Truus.
Tot de typisch truzerige dans-en bewegingsthema's behoort het samengebald vooroverbuigen
van het bovenlichaam, alsof heel veel kracht en moed worden verzameld. Voorts
is doelmatig omgaan met energie, een belangrijke les van Pauline de Groot, een
van de hoofdprincipes van haar danscomposities. Dit wordt zichtbaar in de doordachte
afwisseling van energieke en zachte bewegingen. Veel kracht schuilt bijvoorbeeld
in abrupte of staccato bewegingen, zoals veerkrachtige, rechtstandige sprongen
en flitsende armen of benen. Anderzijds zijn er vaak trage, tedere bewegingen,
zoals ceremoniële schrijdpassen, het langzaam uitstrekken van armen of
benen als het voorzichtig openen van een vouwmes, en de zeer fraaie draaiingen
in kurkentrekkerachtige attitudes. Alle bewegingen vragen een grote concentratie
en intensiteit waardoor de sfeer vaak magisch is, als in een rituele ceremonie.
Hierbij valt ook een ander compositieprincipe op: de grote helderheid van het
lijnenspel, zowel van ledematen als van ruimtelijke patronen. Dit wordt alleen
verstoord wanneer geestelijke verwarring wordt uitgebeeld. Tenslotte is kenmerkend
dat altijd maximale zeggingskracht wordt bereikt met minieme middelen, conform
het streven van de choreografie.
Van Duncan Tot Bronkhorst:
Truus Bronkhorst behoort met Krisztina de Chatel tot de twee toonaangevende
vertegenwoordigers van de hedendaagse Nederlandse moderne dans. In tegenstelling
tot de Hongaarse De Chatel, een leerling van Kurt Jooss in Essen, is Bronkhorst
van Nederlandse makelij. Zij studeerde bij de vader en moeder van de naoorlogse
Nederlandse moderne dans, Koert Stuyf en Pauline de Groot, die in de jaren zestig
post-moderne dansimpulsen uit New York importeerden. Al bij haar eindexamen
aan de opleiding Moderne Dans van de Amsterdamse Theaterschool, viel Bronkhorst
op door haar dramatisch geladen dansen. Daarna maakte ze vooral furore in spraakmakende
solo-voorstellingen, wat in 1988 leidde tot haar bekroning met de Gouden Theaterdans
Prijs voor LOOD.
Als markante soliste in de moderne dans heeft Bronkhorst zich gevoegd in de
reeks grote vrouwen, van wie Isidora Duncan rond 1910 de eerste is. Als een
van de pioniers verwierf Duncan faam door haar emoties uit te drukken in een
revolutionaire, vrije dansstijl die meer lyrisch dan dramatisch was. Na haar
volgden in de Verenigde Staten Martha Graham, de moeder van de moderne dans,
en Doris Humphrey, als eerste toonaangevende vertegenwoordigers van het dramatische
dans-expressionisme. In dezelfde tijd, voor de Tweede Wereldoorlog, werd in
Duitsland vooral door Mary Wigman de grondslag gelegd voor het Europese expressionisme
.Hiervan werd Corrie Hartong, leerlinge en medewerkster van Wigman, de Nederlandse
exponent, nadat Lili Green al in de jaren twintig triomfen vierde met een vrije
dansstijl à la Duncan.
In de jaren zestig nam de Nederlandse Pauline de Groot de fakkel als toonaangevende
danssoliste van Hartong over. Het (Duitse expressionisme) verdween hierdoor,
want De Groot bracht uit New York postmoderne dansimpulsen mee die meer uit
waren op vormexperimenten dan op de allerindividueelste uitdrukking van de allerindividueelste
emotie. Hoewel grootgebracht aan de door de Groot gedomineerde opleiding Moderne
Dans ging Bronkhorst van begin af aan, net zo vrij als Duncan , haar eigen weg
met dans die indringende gevoelens en drama niet schuwt. Hiermee ontwikkelde
zij zich tot de laatste van het kwartet toonaangevende Nederlandse moderne danseressen
van na de oorlog: pauline de Groot, Krisztina de Chatel, Pauline Daniels en
Truus Bronkhorst.
Ingekakt
Gezien Bronkhorst's staat van dienst als vrouwelijke danser is het opmerkelijk,
want schijnbaar vrouwonvriendelijk, dat the FALL exclusief voor mannen, een
achttal, is gemaakt. Ook de vorige voorstelling TRUUS BRONKHORST, MARIEN JONGEWAARD
AND FRIENDS, uit januari 1997, werd door mannen gedanst. Het mono-mannelijke
karakter van FRIENDS was louter toevallig tot stand gekomen. De auditerende
danseressen voldeden niet. Toevallig bleken de uitverkoren mannen allen homoseksueel.
In de ban van dit toeval richtten de makers hun focus op de homoseksuele geaardheid
van hun dansers zodat FRIENDS menige homo-erotische handeling laat zien van
het type dat woekert in clubs, sauna's en op andere locaties.
Voor THE FALL vormde die homo-erotische inspiratie geen uitgangspunt maar ook
bij de audities voor deze voorstelling bleken de dames volgens Bronkhorst "
een
beetje ingekakt. Ze willen weer teveel danseres zijn in plaats van mens'.
Zodat Bronkhorst en Jongewaard opnieuw hun toevlucht namen tot mannen, dit keer
zowel homo's als hetero's (ook weer toevallig). THE FALL gaat dan ook niet per
se over herenliefde, ook al denkt een enkeling een 'homo-erotische rite' bij
te wonen(Trouw, 8 dec 1997).
Het spirituele karakter wordt terecht gesignaleerd. THE FALL gaat over liefde,
lijden en mededogen en alles wat daarbij hoort. Universele gevoelens, zonder
meer. Bronkhorst stelt dan ook terecht: Eigenlijk mis je in deze voorstelling
de vrouwen niet( de Volkskrant, 4 december 1997).
Afscheid en verdriet
Vanaf het begin hebben woede en agressie in het choreografische werk van Bronkhorst
een belangrijke rol gespeeld. Mede hierdoor hebben haar dansstukken een grote
emotionele lading, die aanzienlijk beter aansluit bij het vooroorlogse dansexpressionisme
dan bij de op de vorm gerichte postmoderne dans uit de jaren zestig. Bronkhorst
weet inhoud en vorm belangwekkend te combineren. THE FALL is weer een fraai
voorbeeld van dans die uit een emotionele impuls voortkomt en op een postmoderne
manier vorm krijgt. Kenmerkend voor het postmodernisme is onder meer het gebruik
van stijlcitaten, wat Bronkhorst naar hartelust doet. Behalve dansscènes
met gewone, vaak brute of agressieve bewegingen zijn er de geëmotioneerde
lichaamsschokken en lichaamsgolvingen van de Grahamdans, de elegantie en de
gepolijstheid van het klassiek ballet (zelfs met Zwanenmeerachtige scènes),
gevoelvol modern ballet ( met veel Van Manen in de duetten) en zelfs fiere flamencodans.
De gebeurtenissen en emoties in THE FALL zijn de verbeelding van de geestelijke
ontwikkeling na een inzinking of een val in een depressie. Aan het slot vult
de weemoedige schoonheid van Mahler's lied ABSCHIED, uit DAS LIED VON DER ERDE,
de ruimte.
Afscheid en verdriet zijn sleutelwoorden bij THE FALL, zoals het ook de sleutelwoorden
zijn die onverbrekelijk horen bij leven en vergankelijkheid. Je vraagt je af
wat de reden voor deze somberheid is. En dan springt het geboortejaar van Truus
Bronkhorst in het oog: 1951. Dit jaar wordt de danseres/choreograaf dus zevenenveertig,
waarmee ze de pensioengerechtigde leeftijd van dansers met negen jaar overschrijdt.
Voor dansers komt het afscheid van hun uitvoerende loopbaan immers tientallen
jaren eerder dan voor anderen en bij hen is een depressie dan ook vroeger te
verwachten. Dansen is, als het goed is, niet alleen een vak, maar ook een roeping.
Wanneer een danser moet stoppen is dat een nogal traumatische gebeurtenis en
stort al op betrekkelijk jonge leeftijd de wereld even in.
Een van de bekendste en treurigste voorbeelden van dit lijden door een val in
een depressie, is Martha Graham. Toen zij, al in de zestig, niet langer het
onvermogen van een ouder geworden lichaam kon ontkennen, probeerde ze dit besef
van varval langdurig met alcohol te verdoven. Maar Graham kwam overeind uit
deze inzinking, die haar scheppingskracht gelukkig niet had gebroken. Haar laatste
dansstuk maakte ze toen ze al in de negentig was.
Bronkhorst lijkt nu ook het einde van een uitvoerende dansloopbaan te hebben
bereikt, als laatste der dans-Mohikanen. Wellicht is haar besef van vergankelijkheid
nu niet alleen wakker gemaakt door de bereikte leeftijd, maar ook door een aanhoudende
blessure.
Misschien markeert THE FALL inderdaad het afscheid van Truus Bronkhorst als
begenadigd danseres. Maar tegelijkertijd laat THE FALL ook zien dat de eveneens
begenadigde choreografe blijft. Daarvan is dit fascinerende stuk en eerder al
FRIENDS het bewijs; door de imponerende manier waarop wordt getoond hoe een
depressie overwaait en tenslotte oplost in berusting en hoop. THE FALL paart
rouwbeklag over het lijden aan een ontroerend loflied op liefde en mededogen.
Sleutelpersonages
Het stuk begint met lijden en treurnis, en nog voor aanvang kan bij de kijker
de somberheid toeslaan. Het toneelbeeld toont een balletstudio, in het algemeen
symbool voor dansen als ambacht, die voor de gelegenheid is verandert in een
rouwkamer.
Zwarte draperieën bekleden de drie muren die rondom zijn voorzien van een
barre (oefenstok). Blikvangers zijn voorts drie grote spiegels aan de achterwand,
waarin dansers zichzelf kunnen controleren, en bankjes om uit te puffen, langs
de muren. Al deze ambachtelijke rekwisieten zijn door het vele zwart als in
een waas van rouw gehuld. Zo kan de juiste stemming ontstaan voor een afscheid
van het dansvak, je overgevend aan de meditatieve melancholie die weerklinkt
in een vioolsonate van Hindemith.
Twee dansers fungeren als sleutelpersonages. De eerste stelt wellicht de mens
of mensheid voor (Marc van Loon), eruitziend als een androgyn wezen doordat
het mannenlichaam is gekleed in een lange zwarte jurk, doorzichtig als een negligé.
Hij beweegt zich met serene maar behoedzame kalmte over het toneel, alsof hij
met uiterste concentratie zijn omgeving verkent. De armen gaan soms uitgestrekt
de ruimte in, de omgeving aftastend zoals een slak zijn voelhoorns gebruikt,
maar soms ook alsof hij om hulp smeekt. Af en toe maakt hij een plotse beweging,
alsof zijn radar iets heeft opgepikt, waardoor hij reageert als een sidderaal
op een prikkel van buitenaf. Met een sfinxachtige uitstraling danst Van Loon
hierbij als een hogepriester in een mysteriespel met poses ontleend aan Oudegyptische
afbeeldingen en profil.
In de volgende scènes voor de hele groep wordt de aanvankelijke gemoedsrust
doorbroken door allerlei gevoelens van min of meer negatieve aard, indringend
begeleid door Strawinsky's Elegia voor viool die beurtelings bezonnen, klaaglijk
of geagiteerd klinkt. Een vaak terugkerend bewegingsmotief is het slap voorover
vallen van de tors en vervolgens ter aarde storten van de danser, alsof alle
energie wegstroomt, zoals bij een ballon die leegloopt. Dit is een indringend
en navoelbaar beeld van de essentie van depressiviteit: volslagen futloosheid
en grenzeloze lusteloosheid of apathie. Ook het gevoel dat de grond onder je
voeten is verdwenen wordt prachtig geïllustreerd als twee dansers de bankjes
waarop ze staan doorzagen, waardoor ze neervallen: psychologisch een diepzinnig
beeld want ze doen het dus eigenlijk zichzelf aan.
Al dit lijden hoort, zoals alle lijden, bij het aardse bestaan. De meest pregnante
lijdende bewegingen hebben dan ook een uitgesproken aards karakter. Zo dansen
de mannen vaak laag over de grond, zelfs kruipend als lagere diersoorten. Soms
lijken ze ook in een verstijfde kramp te liggen, met de benen in de lucht zoals
een dood dier met vier stijve poten.
Een tweede danser -de opmerkelijk soepele, sensuele en gepassioneerde Percy
Kruythoff- lijkt bij dit alles als tweede sleutelpersonage in het algemeen de
minder evenwichtige, zowel prettige als onaangename gevoelens van de mens te
symboliseren. Eerst laat hij tomeloos verdriet zien, met een fascinerend gebarenspel
alsof hij erin stikt, totdat hij het uitschreeuwt. Daarbij voert hij een heftige
trance-dans uit, rechtstandig draaiend en springend. Vooral door de extatische
uitvoering is dit meeslepend en aangrijpend tegelijk. Later komt hij terug om
de groep op te beuren als een boodschapper van vreugde. Hij doet dit als jolige
gangmaker temidden van een soort dronkemansgelag, een prachtig mimespel van
de dansers die, op de grond zittend, van dolle pret schudden met het bovenlijf
terwijl ze uitgelaten zwaaien met bierblikjes. Pret en jolijt worden steeds
uitbundiger, smeuïg swingend op Coltranes Olé wat ontaardt in een
nogal overspannen vreugde alsof de mannen in de manische tegenpool van een depressie
zijn beland.
Liefde en mededogen
Vervolgens maakt het thema 'liefde' nadrukkelijk zijn entree. Dit wordt duidelijk
gemaakt door twee paren die het soort traditioneel ballet-partnerwerk demonstreren
waarbij de een de ander steunt als een derde been, of hem galant tilt en verplaatst.
De climax hiervan is een briljant bewegingsspel waarbij de partners elkaar bespringen
als kikkers om dan op elkaar liggend tot een lichaam te versmelten.Soms wordt
door de groep het bovenlijf ontbloot, als om de eigen kwetsbaarheid te accentueren,
terwijl het aardse karakter van de mensenliefde voortdurend onrustbarend weerklinkt
in Gubaidulina's DE PROFUNDIS met zijn bezwerend of dreigend gegrom en geruis.
Ronduit meesterlijk is het laatste deel, op Mahler's ABSCHIED. Hier wordt de
spanning opgevoerd op een manier dat je er zenuwachtig van wordt. Eerst blijft
het weinig verontrustend, met een monkelende flamencodans van een plagerige
Percy en parodiërend Zwanenmeerachtig getrippel en beenoptillerij van het
ensemble. Maar dan kristalliseert de groep zich in vier paren, waarbij de gevoels
-en stemmingsbeelden soms door rauwe, schrijnende boven -en ondertonen worden
gekleurd. Dit bereikt dieptepunten in scènes vol (seksuele) agressie
en sadisme, die steeds vaker worden afgewisseld met liefkozingen, zodat uiteindelijk
liefde en compassie toch overheersen. Omhelzen en omarmen, steunen en koesteren
zijn dan ook het parool voor de dans -en bewegingsthema's. Een sleutelscène
is de korte en een enkele keer herhaalde pose die is ontleend aan Michelangelo's
PIETA, het icoon bij uitstek van smart, onvoorwaardelijke liefde en mededogen..
Het spirituele en helende karakter van THE FALL wordt in de magistrale slotscènes
bezegeld. Steeds duidelijker wordt de boodschap dat leven weliswaar veel lijden
met zich meebrengt maar leefbaar wordt door liefde en mededogen, als het enige
echt belangrijke dat wezenlijk helpt de stormen van het leven te trotseren.
Boosheid, irritatie en agressie barsten luidruchtig los maar tenslotte krijgen
tederheid, troost, steun en bescherming het laatste woord.
Zo lost tenslotte alle treurnis op in de verstilde en geniale slotdans die overkomt
als een religieuze ceremonie of een gebed met buigingen in vrome dankbaarheid.
Wanneer dan de sopraan in devote berusting "Ewig
.. Ewig
. Zingt,
draaien de dansers langzaam om hun lichaamsas in volkomen kalmte en vrede.Hierbij
houden ze ballonnen in de hand, alsof ze eindelijk verlost of bevrijd zijn van
alle treurnis. Dit schitterende beeld doet denken aan de ballonnen waarmee bij
aidsherdenkingen de nabestaanden hun dierbaren symbolisch, als voor een Hemelvaart
loslaten.. Tegelijkertijd zijn de ballonnen een icoon voor het herstel van een
geestelijke inzinking.De ontknoping van het dansdrama is hiermee een pure catharsis
volgens de traditie van de oud- Griekse tragedie.
THE FALL heeft niet alleen psychologische en spirituele diepgang, het stuk wemelt
van fascinerende dans -en bewegingsthema's. Ze kerven de ziel met een kracht
en scherpte die het werk van twee andere choreografische meesters van het lijden,
Rudi van Dantzig en Pina Bausch, in gedachten brengt.
Het 'ballet noir' zoals Truus Bronkhorst THE FALL noemt, is een must voor iedere
dansliefhebber. En een leerzame demonstratie van gevoelsexpressie voor studenten
psychologie en psychiatrie, en deelnemers aan de Teleac-cursus over depressiviteit.
[ terug naar THE FALL ]